Dood hout
Het schemert. De hele dag al. Er hangt zo'n grijze sneeuwlucht die steeds verder neer lijkt te dalen. In de mistige atmosfeer is het woud niet meer dan een verzameling bladerloze stammen en takken die ontzet in alle richtingen wijzen. Donker wil het niet worden, al lijkt het licht voortdurend te vertrekken.
Een man wankelt voort. In de wirwar van stammen is nauwelijks een pad te volgen. Soms zwaait zijn hand omdat hij uit evenwicht is en hij bijna valt. Soms reikt hij ermee in de plastic zak in zijn andere hand en strooit hij met wijde halen dikke zaadkorrels rond zich heen. Hij is vaker uit evenwicht dan hij strooit. De korrels ketsen luid tegen de stammen voor ze op de grond vallen. Het is naast zijn lichte hijgen het enige geluid.
Hij heeft al in dagen geen mens gezien. Toch zijn ze hier geweest. Hij weet het zeker. Hun lichamen, hun gejoel en hun gezweet zijn verdwenen, maar je kunt voelen dat ze er waren. De indrukken zingen nog na in de struiken en kaatsen tussen de stammen, zoals een bankje in het park nog warm kan voelen van de zon, ook al trekken er regenwolken door de hemel. Het voelt alsof ze elk moment terug zouden kunnen komen. Als ze dat zouden willen.
Hij heeft geen besef van tijd, maar het moet pas na uren zijn als hij plots stilhoudt. Een open plek. Voor hem ontvouwt zich een raadselachtige open plek. Hier zijn zeker mensen geweest. Ze hebben een complete kermis achtergelaten. Zo'n ouderwetse, met attracties gemaakt van ruwhouten planken en gekleurde gloeilampen die knipperen. Een kleine houten stad die slaapt.
Ze knipperen nog steeds, die lampen. Waar komt de elektriciteit vandaan?
Het zicht is zo onverwacht dat hij stopt met strooien. Verheugd loopt hij het terrein op. Opgetuigde kramen, halfvolle vuilnisbakken. Alles lijkt verlaten te zijn terwijl het feest nog in volle gang was. Misschien is er nog iemand. Ergens.
Roerloos torenen de attracties boven hem uit. Zwijgend en ademloos, als gestold leven, afwisselend oplichtend in blauw en rood schijnsel. Er zijn ook kleinere kramen. Een schiettent, ballen gooien. Hij stapt een hokje naast een draaimolen binnen en strijkt voorzichtig met zijn hand over het bedieningspaneel. Het lijkt alsof hij hem zo aan kan zetten. De verlichting doet het immers ook. Maar zelfs al zou het apparaat nog goed zijn, het zou niet werken. De molen zou al draaien voor hij erin zou kunnen springen. Hij loopt weer naar buiten. De plastic zak nog altijd met zich meeslepend.
Verder dwalen tussen de kramen. Doelloos nu. Het heeft geen zin.
Dan ziet hij het opeens. Daar, in de hoek. Leven! Een teer groen steeltje met een heldergele bloem, die vriendelijk naar hem lijkt te kijken. Het is geen bloem, het is een teken. Een teken voor hem.
Hij rent ernaartoe. Aangekomen kan hij zijn geluk niet op. Er zijn er meer! Hij ziet ze een voor een, ze vormen een spoor. Haastig volgt hij het en laat zich zigzaggend van de kermis afleiden, terug naar het bos waar hij vandaan kwam. Waar zijn ze naartoe gegaan? Hij zal ze zo vinden. Maar... vlak voor de eerste begroeiing begint stopt het.
Dat kan niet. Er moeten er meer zijn. Verwoed zoekt hij rond, loopt in steeds grotere cirkels om de laatste. Het is tevergeefs. Er is niets meer, het spoor loopt dood. Uiteindelijk was het allemaal niets. Uitgeput zijgt hij tegen een stam.
Een uur later staat hij weer op. In dezelfde strompelende pas als waarmee hij aankwam loopt hij het bos weer in. Hij reikt in de tas en begint met strooien. De zaden ketsen weer tegen de kale stammen.
Nog dagen blijft hij het zich afvragen. Waar kwam de elektriciteit vandaan?