Brand

- .

‘Ja, er was brand gisteren. Ik moest er heen, maar ik was te laat. Ik kon m'n laarzen weer eens niet vinden. Dus ja, dan moet je wachten. Kijken naar de vlammen die uit het dak slaan en naar je maten die rennen. Er waren veel mensen binnen hoor, ze haalden er wel tien uit. En je weet: elke geredde is een adje.’

‘Bier of sterk?’

‘Sterk. Bier duurt te lang.’

‘Raar.’

‘Het werkte anders prima. Eerst. Aan de lopende band haalden ze mensen uit het pand. Tak, glas achterover en weer gaan, ze kwamen nauwelijks op adem. Het lopen ging op een gegeven moment wel wat minder natuurlijk, maar ze waren snel genoeg. Ik kwam niet aan de beurt in ieder geval. Op zich terecht natuurlijk, ik was te laat. Maar ja, ik heb natuurlijk niet voor de kat z'n kut met sirene en al door die file zitten ploeteren. Ik had ook dorst.’

‘En toen?’

‘Nou, toen ben ik dus naar een van die slachtoffers gelopen. Een vrouw. Ze was nog helemaal dizzy van de rook. Net naarbuiten gesleept en op een stoel geplant. Door Arie, geloof ik. Tegen wil en dank, leek het, ze was helemaal in de war. Ze had binnen nog spullen liggen, of zo.’

‘Dus...’

‘Dus ik loop naar haar toe en stuur haar gewoon weer naar binnen. Ik zeg tegen d'r: Hop, vort! Ga je tasje maar halen. Het is die kant op. Of ga binnen gewoon ergens in een keukenkastje zitten, boeit mij het. Ik kom je zo halen.’

‘En ze ging?’

‘Nou, ja, eerst zat ze wel een beetje verdwaasd kijken en zo. Je weet hoe die mensen zijn. Maar met een beetje duwen kwam ze toch in beweging. Schuifelde naar de deur, echt enorm langzaam. De keuken was nog niet aangetast, maar het was er wel behoorlijk warm. Zij nog meer bang. Nog meer gillen. Nou, op een gegeven moment had ik er genoeg van. Ik gooi dat mens over m'n schouder en wandel zelf met d'r naar binnen.’

‘En toen kwam Alex?’

‘Ja, Alex kwam net naar buiten. Precies op dat moment, zul je altijd zien. Hij zegt: "Pierre, wat doe jij nou, eikel! Die mensen moeten naar buiten, niet naar binnen!" Echt, zo hard dat iedereen het kan horen en dan moet je hard praten hoor. De boel staat wel in de hens. Nou, iedereen lachen natuurlijk. Het was ook wel grappig. Als ik niet zelf daar stond had ik er ook om moeten lachen. Maar ja, toen was ik de lul. Kon ik alle volgende rondjes betalen. En het waren er nogal wat. Zoals ik zei, dat huis zat helemaal vol.’

‘En nu?’

‘En nu -eh- zit ik een beetje krap. Kun jij me niet wat voorschieten misschien?’